Interview met Flor Hermans door Isabelle Schepens

Flor: In de Muze kwamen we mekaar wel eens tegen. Maar hij was niet zo’n vreselijke drinker. Hij kwam zo binnen en buiten. Er was eerst het Pannenhuis. Dat was t café waar de artiesten kwamen, waar tentoonstellingen waren, waar iedereen zijn schilderijtje had hangen. Het was een klein beetje Monparnasse, zo’n cafeetje, . En daar was ook een tentoonstelling van Paul Joostens, met objecten. Iets dat nu heel veel geld gaat, en dat stond toen zorgeloos op tafel, ........ Daar kwam Wannes ook met zijn doedelzak. Of daar werd een stukje flamenco gespeeld, live. Ook Ferre Grignard was daar vaste klant. Maar ja, alleman nog jong, . En nog niet beroemd, of helemaal niet in die richting denkend, zie je. Ja. Zo was dat.
De Stadswaag. Dat was, dat was het echte uitgangsleven. Jazz vond je vooral in de GardeSivik En dan was er de Stal. Wat dat dat precies was, weet ik niet meer. En ook nog de Zigeunerkelder, met zigeuners. En daar ging ik dan spelen. Enfin, mocht ik dan proberen mee te doen en geld verdienen natuurlijk. We leefden allemaal zo’n beetje van wat we konden.

De eerste keer dat wij een beetje een optreden gaven. Dat, dat was in de Wolstraat, geloof ik, in een keldertje, met zo’n bankjes. En daar zaten dan zo wat jonge mensen te luisteren. En dan zong hij Floris en Blancheflour. In re mineur, met vioolbegeleiding. En dat was ik dan. Maar of hij nu tevoren al iets had gedaan, dat weet ik niet. Ik denk het niet. Ik denk dat wij de eersten waren. En dat duurde heel, heel, heel lang. En we gingen altijd een klein beetje hoger, dat weet ik ook nog. We begonnen in re mineur, en ik denk dat we iets hoger gestopt hebben. Op viool kan je meegaan. Zo was dat ook toen, ja.

Het was toen wel iets nieuws. Nieuw. Als ge daar nu over nadenkt, is dat natuurlijk niet nieuw, want dat waren volksliederen. Maar de manier van ze te brengen was helemaal nieuw. Op school had je zo van die liedjes geleerd, braaf ingepakt en die ge eigenlijk niet begreep. En hij kon dat meteen op een manier zingen dat dat betekenis kreeg en dat dat dichter bij iets oorspronkelijks stond, terwijl er geen echte voorbeelden waren. Want er waren toen nog niet zo veel, denk ik dan toch, niet zo veel grammofoonplaten van, of dingetjes van. Men was daar niet zo mee bezig, denk ik. Tenzij dan op die scholen, , of in koortjes, weet je wel. Zo van die wat christelijke koren die dan zo’n Tineke van Heulen zongen of zo. Maar hij zong dan wel markantere dingen. In die betekenis was dat natuurlijk nieuw, ja. En hij had altijd weer iets anders klaar. Ik denk ook dat ie dan nadien daar een accordeonspeler heeft ontmoet. Bernard Van Lent. Die kon dat dus trekzak spelen. En dat was dan zeer welkom bij die liederen, . En dan heeft hij een heel repertoire gemaakt. Maar hij schreef ook al onmiddellijk dingen zelf. Hekelliederen, over het vergaan van de stad, het afbreken en zo van, zo van die dingen. Dat werd dan accordeon, viool, zang. De fluit kwam er dan bij. Walter Heynen. Ook een ontdekking. En klassiek geschoold, wist alles van muziek. En die kon dan meteen heel smaakvol en niet storend dingetjes doen zodat geheel een beetje een esthetische aanblik bood.

Die eerste elpee was een kwade plaat. Ik speel het nooit meer. Maar ik dacht dat daar een beetje kwaaie liederen op, op stonden over het afbreken van de stad en zo. Dus een beetje kwaad gezongen. Zo van “Ik zeg hier iets heel, heel ernstig, en je moet allemaal luisteren”. Dat bedoel ik met kwaad. En dat was ook onopgesmukt. Dat sloeg in. Men sprak daarover. “Wat is dat voor iets?”. Ja, dat was de eerste. Als ge die vergelijkt met de laatste, dan ligt er iets enorm, enorms tussen. Niet omdat het schoner is geworden, maar het heeft een evolutie gehad. Dat kun je niet zomaar in ene keer doen, .?
Ik denk dat we voor die plaat zijn wij eerst veel gaan spelen. Anders zou die plaat er niet gekomen zijn. Want dat mocht zo maar niet op een plaat staan. Trouwens, daar werd niet aan gedacht om een plaat te maken. We gingen daarmee optreden links en rechts? En plots is er dan een man van die platenfirma komen zeggen “Zeg, dat moet op plaat”. En dan, “Awel ja, dat gaan we dan doen, ”. En dan nog eens extra repeteren en dan op plaat. En een keuze maken uit een min of meer reeds gegroeid repertorium. En dan, zo ontstond er dan een plaat, ja. Eigenlijk een beetje niet commerciëel gedacht. Gewoon een plaat. Een kwaaie plaat.

Er werd altijd verschrikkelijk veel gerepeteerd. Voor het minste moest er weer gerepeteerd worden. Maar dat werd ook steeds boeiender, omdat de muziek moeilijker en ingewikkelder werd. En Walter Heynen schreef dan al wel eens een tegenstem. Of “We gaan dat zo eens proberen”, of iets met het ritme. Altijd op een manier die niet stoorde. Integendeel, die betekenis bracht. En dat was altijd heel, heel fantastisch. Je kreeg zo het gevoel dat ge een heel groot muzikant aan het worden waart zo.

Het was zo’n idee dat mensen altijd dachten “Och het is volksmuziek. Dan moet dat zo maar een beetje zo maar gedaan zijn”. Maar wij wisten dat dat niet waar was. Want wij luisterden ook naar flamenco of naar andere zigeuners. En die werken daar aan. Dat zit in hun natuur in. Die doen wel alsof ze niet repeteren, maar die doen dat wel, heel veel zelfs. En die hebben een taal daarin. Wij wilden ook heel goed zijn. Heel juist. En hij is absoluut perfectionist in die dingen. Niet op de manier die dodend is. Integendeel. Die altijd verbeterend, groeiend, groeiend kan zijn.

Wij waren eigenlijk vier, totaal verschillende individuen. Bernard die kwam van ginder, de Walter van daar, ik van elders, en de Wannes van hier. En wij waren totaal andere karakters. Met een andere, min of meer andere voorgeschiedenis. En, ja, en dat komt dan zo samen. Maar wat betrof de muziek ging dat allemaal heel goed. Dat was perfect. Het was uniek. Voor de mensen was het een homogene groep. En binnenin waren dat dus echt vier andere temperamenten. Dat is wel heel prettig natuurlijk, dat dat dan toch gaat, . Als het niet zou gegaan zijn, zouden er zoveel platen geweest zijn. Maar dat ging heel goed. We zaten niet heel den dag te repeteren. We deden nog andere dingen. Iedereen had nog zijn individuele bezigheden. En dan zo samenkomen en samenkomen. En dan weer niet. En dan weer wel. En op die manier ging dat allemaal, ja.

Er waren in die tijd, enfin zo herinner ik het mij, minder grammofoonplaten dat vandaag. Veel minder bekendheid met wat men nu wereldmuziek noemt. Dus wat er wel was, dat waren Griekse cafés. Wannes speelde flamenco waar mensen flamenco speelden. Er waren zigeuners. Men vond een plaatje op de markt. Iemand had wel iets gevonden. Er werd met een geweldige gretigheid naar geluisterd. Je nam dat in je op. En we gingen dat absoluut niet nadoen, want dat heeft geen enkele zin. Maar dat gaf wel een stemming in je, of een invloed met vioolspel, of een, een trillen in de accordeon ging je misschien wat anders doen. En dat vind ik maar goed ook. Want we wouden absoluut weg van al die schoolse liedjes. Of die proper gespeelde. Dus, het kreeg zoiets, er zaten goede kruiden in. Dat was het. Ja. Er was losvliegend kruit in de buurt in Antwerpen. Door de Grieken en zo, en door alles. En dat had zeker zijn invloed. Maar later is ie bijvoorbeeld, echt eens een Grieks liedje gaan maken. Maar dat was al later, van “Ik zal eens een Grieks liedje maken”.  Het was ook geen imitatie. Helemaal niet. Dat gebeurde niet. Het werd allemaal wel een beetje geboren uit een soort hele vriendelijke onschuld zo.

Om Wannes te karakteriseren is zoals bij geen enkel mens heel gemakkelijk. Want je vervalt natuurlijk al snel in clics. Hij ergerde zich ongelofelijk aan onrechtvaardigheden in het leven. Heel was heel eerlijk daarin. Kwetsbaar en toch ook heel sterk. Een doorbijter, met een doel voor zich. “Dat moet zo”. Een beetje koppig en vaak met het gevoel van door een tunnel te gaan. En dat is een soort beschermtunnel natuurlijk om te bereiken wat hij wil bereiken. Met dat bereiken bedoel ik niet iets maatschappelijk of iets wat men carrière noemt of zo. Nee, om te doen wat hij wil doen, gewoon dat. Daar is hij heel sterk in. En heel vriendelijk. Een poëtisch iemand. Met, met dus veel zijgewaden, . Gedichten, teksten, schilderen, tekenen. Dus een interessant iemand. En zeer authentiek. Hij was natuurlijk ook heel gevoelig.

Hij kon zich vreselijk opwinden als er iets fout liep in zijn muziek. Dat gebeurde vriendelijk, maar dan liefst nog wel eens twintig keren opnieuw. Maar het was niet zo erg nodig omdat we zo veel repeteerden. Niet doodrepeteren, maar het moest allemaal goed zitten. En dan pas werd er een liedje bijvoorbeeld terug geprobeerd. En dan nadien werd er zo wat gekucht en van “Kom, doe dat toch nog eens opnieuw. Het zat toch nog niet goed daar of daar”. Maar kwaadheid heb ik zelden meegemaakt. Hij was ook in goeie handen, . Eigenlijk was zijn orkest zoiets gelijk een, een muzikale zetel. Hij kon daar gaan inzitten en wij deden alles mee. Dus dat was niet zo slecht. Denk ik.
Hij werd door ons beschermd. Het was vanzelfsprekend allemaal.

Hij was ook enig kind. Ik denk dat een enig kind altijd een beetje verwend is. Hij deed wat hij moest doen en wou doen. Als dat een verwenning is, dan is dat wel een bijzondere manier van verwennen. Hij zorgde er voor dat dat zo gebeurde. En dat mocht ook. Hij mocht ook naar de academie gaan. Dat was in die tijd niet vanzelfsprekend om naar de academie te mogen gaan. Dat was uitzichtloos. En nu is het misschien uitzichtloos dat iedereen naar de academie gaat. Nu mag het, of nu moet het. Nu is het in. Voor mij was dat niet zo vanzelfsprekend. Daar moest je heel koppig voor zijn. In die zin is dat ook een verwenning? Ik weet het niet. Ik vind de mensen nu veel meer verwend dan in die tijd.

Wannes was ook een grote talenknobbel. Enorm. Ja. Volgens mij kende hij alle talen, of toch flarden in het Grieks, en kon ie dan weer plots op Italiaans overschakelen omdat hij ook bij Italianen ging gitaar spelen in zo’n restaurant. Dat heb ik dan ook gedaan, maar dan met met Hongaren. Dus we hebben een beetje gelijkaardige dingen gedaan. Maar ik ken geen Hongaars, dat is veel te moeilijk. Maar hij kon onmiddellijk Italiaans, Spaans heel vloeiend, Duits, Frans. Je kan die dingen ook gebruiken als vertaalmiddel, omzetten in teksten, teksten op muziek. Dat moet je hebben, dat moet je kunnen. Dat is heel bijzonder. Hij deed dat graag. In Japan, waar we samen geweest zijn, kon ie toch na een paar weken iets heel duidelijk formuleren. Dus, iedereen kijkt toch om. Ik bedoel, ze hebben het toch verstaan. Dus dat ging ook.

Japan was natuurlijk iets speciaals. Om te beginnen was dat ongelofelijk duur. En dat was zo ver weg. Ik wist niks van Japan. Ja, ik kende zo wel wat prenten en tekeningen, en dat dat geheimzinnig was, en dat dat een beetje op de achterkant van de aarde was, of op de maan. Maar hij ging daar plots naar toe, en hij wou dat niet. Hij zegt “Naar Japan. Iets voor de wereldtentoonstelling. Iets met militairen. Daar ga ik niet naar toe”. En ik zeg “Dat moet je wel doen. Dat is nou echt verkeerd”. Deze keer was zijn koppigheid verkeerd. En ik zei om te lachen “Ik ga mee”. En hij belde onmiddellijk. Hij zei “Het is in orde. Ge kunt mee”. Ik zeg “Dat meen je niet”. En dan zijn we samen gegaan. En natuurlijk, dan kom je daar echt in een totaal ander land. Heel, heel vreemd. Wel op een wereldtentoonstelling die er krankzinnig uitzag, met ook heel veel mooie dingen natuurlijk en interessante dingen. Maar wij hebben ook rondgereisd naar de oude steden, naar Kyoto, naar Nara, de tempels gaan bezoeken, de Zentuinen, het toneel. Naar de cinema waar ze gruwelijke films spelen. Waar mensen in tweeën worden gekapt en die langzaam openvallen op een grasgroen veld, en waar iedereen vreselijk mee moet lachen. Dat is allemaal Japan. Dus natuurlijk was dat iets formidabels. Echt, niet te vergeten. En ook nog het feit dat hij dan iets kon zeggen in het Japans.
Hij was daar niet zo veel anders. Hij had toen een beetje last van pleinvrees. En ik denk dat ge dat daar nog wat meer voelt ginder dan hier. Daar had ie een beetje last van. Voor de rest was het precies hetzelfde. Maar we warendan ook heel den dag aan het spelen. Er was geen enkele verlofdag. We moesten de hele dag van tien uur tot zes uur of tot zeven uur doedelzak en viool spelen aan het Belgisch paviljoen. Terwijl je speelt, sta je daar maar. Het rondreizen is een veertiental dagen daarna gebeurd. En dan hadden we het gezamenlijk probleem van treinen te zoeken en de aanduidingen in het Engels die waren plots verdwenen. We stonden plotseling in een land met verkeerstekens die we niet begrepen, een taal die we niet begrepen. We moesten het allemaal zelf uitzoeken. Dat was het net of we hier rondliepen maar alleen moeilijker. Hij werd niet plots een hele andere man of zo. Alleen vielen we van de ene verbazing in de andere. Parken en musea, noem maar op. Of gewoon gaan eten in, in hele kleine eettentjes, wat waarschijnlijk volksrestaurants zijn en die hier zouden doorgaan voor ik weet niet wat. Dat was allemaal heel prettig. En, en ‘s avonds waren we toch allemaal zo moe. Dus vielen we in slaap. En dan ‘s morgens moesten we weer verder. Voila.


Zijn manier van zingen was heel apart. Dat is moeilijk om te beschrijven. Ik denk dat hij probeert te zingen op een vertellende manier. Hij probeert te zingen alsof het ver achter in de zaal of op het plein klinkt. Dus hij lanceert zijn stem. En het is onsentimenteel. Sommige mensen denken zelfs dat het hard is of zo. Dat is helemaal niet waar. Het is heel genuanceerd. Het is technisch heel sterk, hoor. Bepaalde klinkers of medeklinkers hebben door de tijden heen een verschil gekregen met het plat Antwerps. Dat is een andere taal. Dat geeft een heel ander karakter. Dat zijn wel dingen die bij hem opmerkelijk zijn. En, en door de ongelofelijke dictie die hij heeft. En de duidelijkheid dus, bijgevolg van wat hij zegt dus, voila. En hij kan een tekst op muziek, of muziek op een tekst maken die werkelijk gehuwd is. En daarin spelen natuurlijk die invloeden of die kennis van, van wat men nu wereldmuziek noemt. Het weten hoe Engelsen zingen, hoe Ieren zingen, hoe zigeuners soms zingen, of Roemenen, of Grieken. Dus dat, die manieren zitten daar ongeïmiteerd in. Als ge veel oude programma’s ziet op televisie, dan zie je vaak toneelstukjes in het dialect. En dan gaat het er echt over, dus heel lokaal gebonden, sappige dingen of zo. Hij wou dat een grotere betekenis geven. Of hij wou dat. Dat is ontstaan. Dat dat een, een meerbetekenis heeft van Europees zingen, wereldmuziek zingen. En dan krijgt dat een heel andere dimensie. Daarom kan hij dingen zingen die anderen dan ook vaak zingen, en dan klinkt dat maar heel gewoon. Als hij dat doet, heeft dat toch iets dat verder gaat. De gevoeligheid is precies zo’n beetje achterwege gelaten. De gevoeligerheid is er niet.

Hij greep wel il bij die oude liederen. Hij paste die volksliederen aan. Hij gaf de taal af en toe een draaitje, schrapte een strofe. De melodie, die bestond of hij maakte er een nieuwe. Of hij had een nieuwe tekst en een nieuwe melodie. Of, het is wel eens gebeurd dat de melodie gemaakt was door Bernard, want die kon liedjes schrijven, soms heel mooi. En het kon ook wel eens zijn als het een iets ander soort tekst was, dat het dan door Walter Heynen was gemaakt. Dus iets gecompliceerder. Dus dat waren de mogelijkheden. En ik speelde altijd maar wat ze zegden wat ik moest spelen. Met een toevoeging van een manier van spelen, maar ofwel op het gehoor, ofwel was het neergeschreven, of ontstonden er natuurlijk kleine versieringen en zo, dat wel. Maar het kwam wel allemaal van hem of van, gedeeltelijk van Bernard, en heel veel van Walter Heynen. Dan moesten we samenkomen, want er was weer iets nieuws. En dan pupitertjes, je zit daar op, en dan spelen. Soms werd er nog iets gewijzigd van “Eigenlijk moet daar toch een intro, of niet of wel”, zo van. Maar het ging altijd naar, vrij tamelijk, niet onbelangrijk, maar over kleinere dingen zo. Moet dat er nu bij of niet ? Dus altijd met een ragfijne smaak zo over de dingen, ja. En de ene hielp den andere zo een beetje, . Ik durfde soms ook wel eens iets doen zo, .  ...

Waren we vrienden? Bloedbroeders? Ik weet het niet. Je moet dat niet heilig maken. We waren geen gezworen kameraden of zo. We leefden allemaal op een iets andere manier. We kwamen samen. En op het podium was dat natuurlijk een homogene groep. Dat heb je met alle groepen. Wij waren absoluut geen vijanden. Gewoon, we waren heel vriendelijk met mekaar. En de ene leefde vaak verder weg dan de andere, dus zo krijg je wel meer afstand. Maar, nee, maar dat ging allemaal heel goed, . Er was geen enkel probleem, niks.


Mistero Buffo is ook zo’n prachtig verhaal.
Wannes had natuurlijk weer met die talenknobbel die bestaande Italiaanse liederen omgezet naar de taal van hier. Maar het werd dus ook in streektaal gesproken en gezongen. Ook daarin waren er weer wijzigingen aangebracht voor de verstaanbaarheid, zonder die taal te vermoorden of minder specifiek te maken. Hij heeft dan wel gezorgd dat die liederen en die taalwijzigingetjes of die taal die er ontstond pasten op de muzikale lijnen en zo. Dat is zijn bijdrage. Dat kon ie heel erg goed. En natuurlijk moesten heel veel van die acteurs voor de eerste keer moesten op die manier zingen, en bewegen, en spelen, en zingen, en ook duidelijk in de zaal die tekst brengen dat die echt kon gehoord worden. Dus niet dat zingen naar binnen, maar naar buiten. En dat was een hele gebeurtenis natuurlijk in toneelverband. En dat sloeg toen heel, heel erg in. Iedereen was daar wild van. Ja. Er zijn ook platen van gemaakt. Daar staan ze allemaal op. Vaak slecht opgenomen, of eigenlijk misschien goed. Live zo met voetstappen.

Wat ik het mooiste lied van Wannes vond. Dat zijn er eigenlijk veel. Dat van de Groenplaats. Dat vind ik nog altijd wel een heel mooi. Tussen de duiven ’t Groene Kerkhof. En een Schip. Er zijn er hele veel mooie bij. Ik hou het meeste van de dingen die ie zelf gemaakt heeft. Helemaal zelf geschreven en gezongen. Echt teksten om te zingen. Misschien zijn die ook mooi als je die leest, heb ik nog nooit gedaan, want ik ken die gezongen versies. Maar ik denk dat die vooral echt zangkundig muzikaal heel mooi zijn. En heel helder altijd. En met het gewaagde erin van op rijm. Dat beklijft zo, een rijm. Vroeger was de reclame ook op rijm. Je stapt in tram en dan staat er iets in rijm opgeplakt, een reclame voor boenwas of zo, maar op rijm. En dan krijgt dat zo een moraal, van “Als je dat niet koopt, dan gaat het mis met je” omdat dat rijmt.


Buffo
We moesten met de acteurs meespelen. En dat was natuurlijk een grote groep. Ge moogt ook niet vergeten dat die een politieke mening hadden. Die dachten dat ze de wereld konden verbeteren. Dat is natuurlijk heel nobel van dat te denken. Maar dat ging heel goed, hoor. Ik bedoel, alleen werd dat te veel. Ik bedoel, het was bijna dagelijks Mistero Buffo en nog eens Mistero Buffo. Dat is wel heel veel. Dus ondertussen viel het andere ding een beetje stil, Misschien heeft ie wel dingen gemaakt, hoor, maar dat brak toch wel een beetje het andere. Walter Heynen die deed daar niet in mee. Die, die gaf les, die was al zo’n hele verstandige mens. En wij moesten het zo doen. Maar het was natuurlijk fantastisch om dat het iets met toneel was. Het was een andere manier van toneel brengen. Toneel is spelen. Maar door die taal en door die opvatting was er een soort naturel gekomen, ook in het zingen. En mensen die nog bijna nooit veel hadden gezongen konden er toch aardig mee weg. En zo’n gebeurtenis is iets nieuws. En dat had natuurlijk ongelofelijk veel impact. Het was ook heel emotioneel. Het werkte heel erg op de gemoederen. Het was ook erg meeslepend. Het waren ook meezingers in drie kwarts maat en zo.  Dat was heel erg goed. Ik vond het wel een beetje veel op den duur. Duizenden keren. En dan natuurlijk kwam de tijd van het festival Avignon Dat was daar zo een beetje de hoofdschotel, heel plezant. Maar de volgende dag moesten we al meteen naar Groningen. Van Avignon naar Groningen was een heel eind. Dus het was heel vermoeiend.
In die periode werd de groep van Wannes een beetje verwaarloosd? Verwaarlozen is misschien niet het juiste woord. Maar hij ging allerlei andere dingen doen. Hij ging flamenco spelen. Studio Herman Teirlinck. Dan weer een koortje ginder of een vertaalperiode daar. Hij begon heel veel verschillende dingen te doen. En dan waren er minder optredens met wat we onze groep noemden. Maar ondertussen had iedereen natuurlijk wel een ander werk. We waren nooit niet afhankelijk van hem in die periode. Maar we bleven wel repeteren, keihard. Dan is Jan Wellens er bij gekomen, de gitarist. Bernard Van Lent is weggegaan. Hij bleef bij de Nieuwe Scène.
Wannes heeft ook een heel donkere periode gekend.
Ik heb dat niet dagelijks meegemaakt. Ik heb geweten dat ie dus een soort pleinvrees had en heel veel angsten. Ik kan het niet anders noemen. Dat manifesteerde zich heel vreemd. Plotseling ergens blijven staan en niet verder kunnen. De dokter ervan zei : “Dat moet je zelf overwinnen”. Dat heeft ie ook gedaan. En dat heeft wel een tijdje geduurd, hoor. Ja, wat is dat ? Angsten, vermoeidheid. Dat is heel vreemd, ja.
Wat konden wij doen ? Gewoon geduld hebben, zie je. En ondertussen gingen we nog wel spelen, maar dan wat minder. Dan soms moest er iets afgelast worden, als ik me goed herinner. Dan ging het niet, en dan weer wel. En hij is er echt koppig mee doorgegaan.


Hij heeft ook een Flor Hermans-suite gemaakt. Eerst was er een Bervoets-suite. En dan heeft ie eens een hoop gedichten gemaakt, en hij zegde “Eigenlijk gaat dat over u”. En toen, geloof ik, dat de Walter Heynen zegde “We zullen daar eens ne keer iets van maken”. Dat heette niet de Hermans-suite. Dat was “Portret in vijf of in zes kleuren”. Er is wel een opname van. Ik vond dat wel iets heel moois. Ja, iets helemaal anders dan die Bervoets-suite, waar het nogal hevig aan toe gaat..
Dat is toch sympathiek, . Zo een suiteke gaan schrijven voor de Fred en voor mij. Ik heb het eens horen uitvoeren in de Singel. En dat klonk heel schoon.
Ja dat is toch iets heel charmants. Dat is toch iets, iets enorm vriendelijks. Ja, een eer, ja natuurlijk, zoiets

Ik ben dan ook uit de groep gestapt. Ik moest les gaan geven. En dan moest ik er heel vroeg uit ‘s morgens. En die optredens, die waren vaak, dat wordt soms laat. Niet dat wij in cafés gingen hangen of zo, maar je kwam soms van ver of zo, en dan kon ik moeilijk de twee dingen nog samen doen. Dat was een beetje moeilijk, ja.
Toen Walter gestroven is ik er al niet meer bij. Dat was wel een ontzettend droevig nieuws, dat was echt aangrijpend. Dan heeft ie me nog opgebeld en was ie, niet sprakeloos, maar hij zei dan minder woorden, zo. Ja, dat was, dat was heel erg pijnlijk. Walter was een hele fijne man. Dat gebeurt. Dat snijdt nogal. En er gaan er zo veel dood. Duizenden en duizenden, alsof het niks is, op een gruwelijke manier. Ja, het was ook een echt verlies.

Onze contacten daarna waren zijn eerder toevallig. Heel kort, op straat of toevallig op een hoek. Maar hij is toch altijd gehaast. Dat was vroeger toch ook. Hij moet altijd plots weg, iets gaan doen of zo. En nu nog. Dus we zien mekaar altijd heel erg kort, ja. Hij zou wat meer moeten langskomen,

Hij communiceert altijd zo essentieel. Dat ken je op den duur allemaal. Dan dat worden een soort bekende codes. Op die lange periode van samenwerking daar kijk ik op terug gelijk dat ik op alles terugkijk. Je kijkt er eigenlijk een beetje overheen. Het lijkt allemaal zo vliedend. Alle dingen. En dan af en toe komen er zo stukken daarvan terug naar boven. Het repeteren bijvoorbeeld dat komt wel eens boven. Of je hoort iets op de radio. Ik denk ook “Tiens, als ge nu weet hoe dat begonnen is en wat dat dan geworden is, dat is toch een hele geschiedenis”, een stukje geschiedenis, een mensenverloop zo. Dan denk je toch “Allez, bravo, dat heeft ie goed gedaan. ” En daar hebben we toch een beetje aan meegeholpen. En die sympathieën voor die kunsten, want ik noem dat allemaal maar kunsten. Ik bedoel of dat nu kleinkunst is of grootkunst, of zwaarkunst, of lichtkunst. Dat zijn een beetje gekke bewoordingen. Ook die alternatieve groepen. Dat moet je toch allemaal iets formidabels toewensen, vind ik.
Of mensen die iets proberen te maken met weinig materiaal of weinig geld, maar met veel geest of vaart. Dat zijn toch dingen om bravo tegen te roepen. En dan denk ik “Dat hebben wij toch ook allemaal geprobeerd en gedaan.” In die zin is dat wel iets. Ook om, omdat je dan goed weet “Toen was er zo weinig en nu is er zo veel”. Dan denk je “Ja, maar hij heeft toch stand gehouden, ”. Zo denk ik daarover. Maar ook tezelfdertijd vliedend. Inderdaad zo van “Jezus, zo voorbij en toch heel intens”. Soms mis je dat wel, dat spelen, dat repeteren, dat bezig zijn met welke vorm dan ook van muziek maken. Dat is wel heel, heel jammer. Met een beetje weemoed kijk je daar tegenaan en zo’n beetje onderzoekend van “Wat is dat nu toch allemaal geweest?”  “En hoe is dat gegroeid ?”. Dat heeft wel iets. Zo denk ik daar nu over. Misschien is dat morgen anders, dat kan best. Maar de laatste tijd denk ik “Jee, het is niet voorbij, maar het is zo gegaan tot nu”.

Wannes schilderde ook. Dat is gestopt. Dat gebeurt met veel mensen. Ge schildert, maar ge doet niet altijd door. Hij was op een gegeven moment meer aangetrokken door dat zingen en dat optreden en die flamenco en zo. Ook in het leger leer je dat. In het leger kan je gemakkelijk naar je viool grijpen, of naar je gitaar. Als er nog iemand is die muziek maakt, en ge zit daar in zo’n moeilijke conditie, daar heb je iets aan. Schilderen, dat gaat niet altijd. En hij heeft dat daar niet gedaan omdat hij daar ook niet tegen kon wat er allemaal mee gebeurde. Maar is altijd blijven tekenen, er zijn soms hele mooie tekeningen bij. Kleine, grote, wandeltekeningen. Altijd schetsboek bij, altijd getekend, altijd mee bezig geweest. En onlangs zag ik zo een klein verzamelingetje op een tentoonstelling. Dat was heel erg mooi. Hoe bescheiden dat ook was. Heel sympathiek. Wat ge niet altijd kunt zeggen, want er wordt ontzettend veel geschilderd, ontzettend veel getekend, of betekenisloos gekrabbeld. Maar dat had iets. Soms dacht ik “Ja maar, ge moet dat meer doen”. Maar dat kan ik even goed tegen mezelf zeggen. Ik denk niet dat ge alles kunt doen in zijn volledigheid. Dat kan niet.
Hij doet dat ook bewust. Zo van, ik heb een schetsboek. Ik ga wandelen. Dju, nu ga ik dat eens noteren wat dat ik daar zie. Met, met een beetje inkt, of met een potlood. In een fardje naar huis, steekt dat weg. Dan ga je weer tekenen. Hij schrijft ook heel veel. Dat zijn prachtige dingen. De meeste mensen gaan toch maar gewoon een fotootje trekken. Hij doet wel wat meer. Dus op dat gebied is ie dan toch actief. En, en als je dan een mooie filtering in maakt, en je kiest wat dingen uit, en je lijst die mooi in, en je hangt die op een wand, dan kan dat heel erg aanspreken. In zijn bescheidenheid kan dat heel erg subliem zijn. Dus dat is ook weer een pluspunt.
En dat schrijven ging maar door. Ook gedichten en linootjes tekenen en zo. Hij heeft zo eens een boek uitgegeven, De Straat. Met grote lino’s, en heel eenvoudig. Die zijn heel erg goed. En dan die teksten daarbij. Altijd weer dat bezig zijn op het gebied van … iets goed willen zeggen met kleine middelen. Of als ge het met drie, vier woorden kunt zingen, dat akkoord eronder, dan klinkt het wel. Dat moet je kunnen. Want als iemand anders dat doet, of iemand die dat ook zo gaat doen, dan is dat niet goed. Daar moet veel achter zitten.