Een zonnige zondag in september 2020. Er is nog maar net één tafeltje vrij op het terras van café “De Duifkens”. Tussen twee corona-lockdowns in, genieten de gasten zichtbaar van deze mooie tussentijd.
Reinhilde Decleir komt zwierig aangefietst. Na een korte inleiding over fietsen in de stad en een opsomming van gestolen fietsen, zegt ze meteen waar het op staat; “Ik wil graag vertellen over Wannes maar ik ga hem niet ophemelen! Het was geen heilige hé! Ik heb ook een beetje een hekel aan over de doden niks dan goeds…”
De toon is gezet.
Het komende uur laat ik me meenemen in het bonte, levendige relaas van deze Grande Dame van het theater.
Regelmatig wordt ze onderbroken door mensen die hun bewondering komen uitdrukken over haar werk met Tutti Fratelli, over haar theatertalent of gewoon door bekenden die even een praatje komen slaan.
Daarover zegt ze verontschuldigend: “Tsja, dat had ik kunnen weten hier…”
Reinhilde ontmoette Wannes voor het eerst toen ze zelf studeerde aan Studio Herman Teirlinck.
De Studio bevond zich toen op de eerste verdieping van een pand in de Colvenierstraat. De balletschool was in datzelfde gebouw. Vermoedelijk werkte Wannes daar al als gitarist om de flamencolessen te begeleiden.
De zeventienjarige Reinhilde liep hem daar regelmatig tegen het lijf. Op een dag sprak hij haar aan. Hij bleek haar naam te kennen en was heel open tegen haar. Dat maakte toen wel indruk vertelt ze, ze voelde zich nog een snotaap en Wannes genoot al enige bekendheid. Ze vermoedt dat haar broers; Jan en Dirk Decleir, die Wannes al goed kenden, daar voor iets tussen zaten. Daarna werd het een normaliteit. Reinhilde en Wannes bezochten dezelfde café’s en raakten bevriend.
Later woonden ze in elkaars buurt. Regelmatig stond Wannes aan de deur om een praatje te maken als hij ‘zijnen toer’ deed. Reinhilde vond dat plezant maar een echte dialoog was het niet. Het was Wannes die zijn hart kwam luchten of over zijn werk vertelde. Op een gegeven ogenblik had Reinhilde daar een klein dropje rondlopen. Die leek voor Wannes niet echt te bestaan. Onverstoorbaar bleef hij zijn verhaal doen. Zo heeft Reinhilde hem altijd ervaren; als iemand die vooral sprak over zijn werk, de dingen die hem op dat ogenblik bezighielden…Communiceren met Wannes over iets dat moest afgesproken worden voor één of andere productie op de Studio (later waren ze daar beiden docent) bleek minder interessant.
“Wannes was een zeer sociaal bewogen mens maar het simpele sociale verkeer tussen mensen, daar deed hij niet aan. Overal met mensen babbelen dat deed hij wel, dat was zo zijn gewoonte.
Hij had uiteraard zeer interessante dingen te vertellen. Net zoals Flor Hermans (eerste violist bij Wannes en kunstenaar) kon je hem een wandelende encyclopedie noemen, zij het op een heel andere, eigen wijze.”
Reinhilde verwijst naar een tekst die Jan Decleir heeft geschreven over zijn eerste ontmoeting met Wannes.
De tekst gaat onder meer over Herman Teirlincks stellingen over de toneelspeler. De speler moet als een standbeeld zijn, een rots, die zich niet mag confirmeren…. Zo beschreef Jan Wannes.
“Wannes was authentiek, niet aangepast, zelden had je met hem een echte dialoog maar steeds had hij veel interessants te vertellen.
Wannes wist zoveel. Hij kon fantastisch vertellen over plaatsen waar hij alles van wist, maar waar hij nooit was geweest…”
Toen ze samen bij de Internationaal Nieuwe Scène werkten, werd het contact tussen Wannes en Reinhilde closer. Voor de Nieuwe scène maakte Wannes vertalingen en was hij repetitor.
Het soort liederen dat daar gezongen werd, gebruikt Reinhilde vaak bij haar producties voor Tutti Fratelli. Haar ervaringen met zangdocenten is, dat die soms het effect creëren dat de acteurs te voorzichtig, te glad gaan zingen. Bij de nieuwe scène genoten de acteurs geen zangopleiding. De acteurs zongen met hun natuurlijke stem.
Reinhilde zal nooit vergeten dat Wannes eens zei: “Zeg allée, zet u kweek eens open!”.
Bij Fratelli doet zij dat nu ook, soms zingen de acteurs te voorzichtig en dan gebruikt Reinhilde diezelfde stemintensiteit in haar manier van spreken.
“Ik heb daar veel van geleerd, van dat spontane”, zegt Reinhilde. “Maar het geweldigste aan hem vond ik hoe Wannes die liederen hertaalde.”
Hij vertaalde de teksten niet exact maar ving de sfeer in zijn eigen taal, in zijn eigen woordgebruik. “Hij was daarin een meester.”
Zelf vertaalde Reinhilde samen met haar broer Jan, de teksten van Driestuiversopera. In die periode had ze heel graag raad gevraagd aan Wannes. Ze was van plan om hem de teksten te laten lezen om te weten wat hij ervan vond. Ze betreurt heel erg dat dat niet meer gelukt is. Hij was toen al te ziek.
Over de doden niks dan goeds, dat is niet aan Reinhilde besteed…
Maar dan eindigt ze dit interview met de volgende woorden.
“Wannes had een groot charisma, bezat artistieke intelligentie, hij had een duidelijk levensbeeld.
Dat maakt nieuwsgierig, dat maakt dat je naar hem wil luisteren…
En dan ook nog eens de schoonheid van zijn wezen, de schoonheid in zijn muziek, in zijn teksten, zijn humor…”
‘De bloemen aan u voeten worden verlegen, uw stem bedwingt het onweer en de regen’
“Het is het schoonste liefdesliedje dat ik ken en het slaagt op hem, voor mij.
Als ik zo’n briefje in mijn bus krijg, wil ik wel weten wie het geschreven heeft!”