Ik heb Wannes vaak zien optreden, maar ik heb hem slechts één keer lang gesproken. Dat is nu ook al meer dan dertig jaar geleden ter gelegenheid van een één-mei-nummer van De Rode Vaan. Ik was er een beetje met een klein hartje naartoe gegaan, want Wannes had de reputatie “gene gemakkelijke” te zijn, als het op interviewen aankwam. Niets bleek minder waar. Het werd een warm gesprek, waarop ik altijd met een goed gevoel heb teruggekeken. En nu dus ook met het weeë gevoel van de melancholie…

Als het in Amsterdam regent, druppelt het in Antwerpen en de plaatselijke revobeweging (in tegenstelling tot hun naam waren “revo’s” heel wat makker dan “provo’s”) ging dan ook op zoek naar “hun” woordvoerder. Die vonden ze dan aan de tapkast van de Muze: Ferre Grignard. Maar dat was natuurlijk geen échte volksmuziek (in Amerika spreekt men in zo’n geval van “the ethnics” tegenover “the commercials”). Alhoewel Wannes van de Velde ook in die Ant­werpse kroegen uitging (eerst als saxofonist, later als de flamencogitarist Nino de San Andres, “de kleine van het Sint-Andrieskwartier“), heeft hij niet per se op iemand als Ferre Grignard moeten wachten om met zijn muziek naar buiten te treden. Daar is Wannes te authentiek voor. Hij stond trouwens nogal wantrouwig tegenover die protestrage: “Ach, revolutie, nog zoiets. We hebben er al één gehad, in de jaren zestig. Enfin, ’t had er eventjes de schijn van. Ook toen bleef ik op een afstand staan: intuïtief. (…) De revolutie van de jaren zestig vond ik een kermis, een maskerade en vooral veel gezwets.” (Humo)
Dat heeft natuurlijk ook te maken met zijn wantrouwen tegenover politiek: “Een moderne politicus is niet langer de beredderaar van het stads- en het staatsleven, maar hij is vooral een beredderaar van zijn carrière. Er zitten wel een paar witte raven tussen natuurlijk. Soms denk ik dat Louis Tobback er één is. (…) Ik stam af van arbeiders, van échte dus, niet van salonarbeiders, mijn vader heeft 40 jaar bij Ford gewerkt. Dan zie je dat allemaal tamelijk nuchter, is het ook niet zo nodig om Marx te gaan lezen, dan kén je dat wel. (…) Je voelt dat je met dat verleden iets te maken hebt, dat je qua mentaliteit en fysieke structuur nog rechtstreeks van die mensen afstamt. Da’s sentimenteel, maar dat is de realiteit. (…) Louis Paul Boon, da’s niet zomaar de visie van Louis maar een heel collectief bewustzijn dat nog altijd bij ons aanwezig is.” (Humo)
Wél was de protestrage noodzakelijk om met zijn liedjes voor het grote publiek te komen: zo zat Wannes naast Ferre, Armand en Boudewijn op de fameuze flower-power uitgave van het Bilzen-festival. Rond die tijd bracht hij ook een elpee uit, die een beetje voorbarig “M’n beste” werd gedoopt, nog onbewust van welke pareltjes allemaal nog moesten komen. Op deze elpee vinden we o.a. “Jef heeft m’n sjiek gerefuseerd”, “De neuze”, “Vertrek naar ’t slagveld”, het anti-clericale “Jan Broeder”, “Zeven dagen van de week” (op speelse manier armoede en werkloosheid afgereageerd), “Mijn Sofieke” (typisch voor een havenstad), “Waarvan gaan er de boeren zo schoon”, “Adam en Eva” (van Waeri) en “Pieter Brueghel in Brussel”.
Wannes Van de Velde heeft inderdaad de Guthrie-epigonen niet nodig gehad om te beginnen zingen. Woody was beginnen zingen “uit koleire” en Wannes is zelf ook beginnen zingen “uit koleire”. Uit koleire om zijn stad die “naar de kloten” werd geholpen. Wannes is geen marxist, maar zijn oprechte “koleire” maakte hem soms linkser dan wie ook. Hij schold de Vlaams-nationalistische bewegingen (zijn oorspronkelijke broodheren nota bene!) uit voor fascisten en schaarde zich aan de kant van een aantal acteurs die zich in een avontuur stort­ten. Pure muzikale zelfmoord voor eender wie, behalve voor Wannes, die in niet geringe mate ertoe bijdroeg dat “Mistero Buffo” een meesterwerk werd (ergens was dit misschien wel jammer: de pers had het zo druk men z’n loftuitingen dat de politieke boodschap bijna volledig verloren ging).

Louis Paul Boon formuleert het zo (Vooruit 6-6-68): “Wannes behoort tot de familie van Charles De Costers ‘Tijl Uilenspiegel’ en de as van Claes klopt op zijn borst. Nog steeds wat bleek van woede wordend, zingt hij ook over de inquisitie. Hij is de laatste geus, een zoon der graven Egmont en Hoorn.”
Ieder vogeltje zingt zoals hij gebekt is, we laten dus ook Miel Appel­mans in Tliedboek (sept. 76) aan het woord: “Het is geen toe­val, dat ‘De Wannes’ in het allereerste TL reeds een lovend hoofdartikel meekreeg, en nu, bijna tien jaar later, nog steeds onze bewondering afdwingt. Hij begon immers met de muzikale geuren te snuiven. Geuren met de prikkeling van vele eeuwen en de wijsheid van vele landen. Heel vlug schakelde hij over naar het Antwerpen van nu, de wereld van nu. Met een boutade zou je kunnen stellen, dat Wannes de bekende 19de eeuwse grootmeester Karel Waeri meer eer heeft gewezen door ook kritisch over zijn omgeving te zingen, dan Walter de Buck door het halve repertoire van Waeri na te zingen.”

“Een zanger is een groep”, zegt Wannes van de Velde. In de loop der jaren mag de bezetting dan nog een aantal keren gewijzigd zijn, het zijn grotendeels toch namen die bekend in de oren klinken: wijlen Walter Heynen (1994-1995) op fluit, Jan Wellens op gitaar, Walter Poppeliers contrabas, Bernard Van Lent accordeon en Gilberte Vandeplas viool. Terwijl occasioneel ook nog gitarist Koen De Cauter zijn medewerking verleent. In 1993 bracht hij zijn elfde (“of twaalfde, ik weet het zelf niet meer“) album uit als eerste CD op het nieuwe label van Hans Kusters. Dat is niet toevallig, Kusters was immers ook diegene die Wannes destijds de kans gaf om zijn eerste elpee op te nemen.
Als je Koen Wauters mag geloven dan is Hans Kusters ontzettend rijk geworden dankzij Clouseau. Moet kunnen en zou ook best kunnen, maar het dient gezegd dat de tot Vlaanderen bekeerde Nederlander zijn geld blijkbaar niet naar belastingparadijzen transfereert, maar reïnvesteert in muzikale projecten. Als dat dan nog projecten zijn die een dergelijk steuntje best kunnen verdragen, dan kunnen we dit alleen maar toejuichen.
De Vlaamse volksmuziek is zo één van die terreinen die dreigen te verschralen binnen de zich uniformiserende muziekmarkt, vandaar dat Kusters voor wat groen zorgt in de vorm van een speciaal label dat de naam Grano­ta meekreeg, wat Catalaans zou zijn voor kikker, en dat naast folk ook nog voor andere muziek bestemd is “die niet onmiddellijk voor Tien om te zien ge­schikt is,” zoals Hans Kusters het zelf formuleert.
Op deze CD vinden we enerzijds de “oude” Wannes terug met genrestukjes (“Café Breugel” en “Groenendaal”, dit laatste naar André Bialek), met goedmoedige maatschappij­kritiek (“In de lommerte van ’t bos”, “Naar de Provence” of zelfs “Marilou van de sextelefoon”) of met liedjes uit de oude doos, zoals “Joze­fien” van Frans Lamoen. Er staat zelfs een “remake” op (“Ik heb mijn hart geslo­ten”). Ook met liedjes in de Griek­se rebe­tika-stijl (zoals in het titel­num­mer “Café met rooi gordijnen” dat eigen­lijk over het café “Quar­tier Latin” gaat op de Vogelmarkt, ooit nog open gehouden door Yvan Heylen) zijn we ondertussen reeds ver­trouwd. Maar daar­naast vinden we hier nu ook zowaar eigen gedichten van Wannes terug, geïnstrumenteerd door Walter Heynen (“Het huis dat na zoveel eeuwen” en “Zes bezweringen”). Insiders zullen wel verwijzen naar het “Zesluik voor Fred Bervoets” op de CD “De Zwarte Rivier” uit 1990, maar tot het grote publiek is “deze” Wannes zeker nooit doorgedrongen. Het is in mijn ogen ook geen goed idee om deze gedichten te ver­mengen met zijn ander werk. Het breekt de sfeer en de eenheid van de plaat. Onder andere ook omdat Wannes voor de gedichten terug­valt op het “Algemeen Nederlands”. Niet dat ik hem in een “provincialistisch” hoekje zou willen duwen (de grote debatten over het gebruik van het dialect liggen nu toch ook reeds meer dan dertig jaar achter ons), maar het is duidelijk dat voor wat zingen betreft, het Antwerps hem veel beter in de mond ligt, dat blijkt b.v. ook bij de “traditional” “Te Vlissingen” of “Soldatengraf”. Vandaar trouwens dat de gedichten niet echt op muziek worden gezet, maar “gezegd” worden, ter­wijl Walter Heynen voor achtergrond­smuziek zorgt. Samen met zijn twee in­strumentale nummers, “Passacalle Gandalf” en de slot-ouverture (?!) “Man in de stad” horen die eigenlijk op een andere CD thuis.

In 1994 kreeg Wannes van de Velde de prijs van de Gilbert Van Geertstichting toegekend. Bij het overlijden van deze artiest in 1990 namen een aantal mensen het initiatief zijn werk en zijn geest levendig te houden door een prijs uit te reiken aan een kunstenaar, die zich verdienstelijk maakte binnen de “volkse” sfeer in diverse kunsttakken.
Eind 1995 volgde dan een nieuwe CD, “De kleuren van de steden”, waarop ook een lied van “stadszanger” (?) Mark Hauman uit Temse. Uiteraard had ik graag Wannes hierover tekst en uitleg laten geven, maar op dat moment werkte ik voor de Gentse editie van Het Laatste Nieuws en dan is een podium geven aan een Antwerpenaar wel het laatste wat we willen!
Laat ik dus terugkeren naar 1987, het jaar dat Wannes vijftig werd en ik hem voor het 1 mei-nummer van De Rode Vaan (het belangrijkste – en meest verkochte – nummer van het jaar) ben gaan opzoeken in zijn woning in Antwerpen.

Zoals afgesproken was het klokslag elf, vandaar dat ik een beetje verwonderd was dat Wannes de deur opent met de woorden: “Tien uur! Nog een geluk dat ik wat vroeger opgestaan ben!”
Zou zijn uurwerk soms nog op wintertijd staan? Of is hij gewoon wat verstrooid? Hij ziet er inderdaad wel wat verwaaid uit, maar toch al heel wat beter dan op de manifestatie een week eerder in Gent, waar hij zonder komediespelen duidelijk op instorten stond. Omdat ik niet het risico wilde lopen dat dit ook nu zou gebeuren, verkoos ik er maar meteen in te vliegen…
– Dat je op dertigjarige leeftijd je eerste plaat hebt gemaakt, wil niet zeggen dat je vóór die tijd hebt stilgezeten?

Wannes: Sinds mijn zeventiende speel ik flamenco-gitaar, toen ik hier in Antwerpen een flamenco-gitarist, uiteraard uit Andaloesië, heb leren kennen.
– En niet alleen dat, je speelde toen ook jazz?

Wannes: Dat komt natuurlijk door de oorlog. Ik vermoed dat het hier eigenlijk nogal een grijs gat was, maar plots werd die wereld opengetrokken: Amerika stond hier ineens voor de deur. En bij de interessantste zaken die de Amerikanen meebrachten, hoorde zeker de jazzmuziek. Dat was het, hé. Dat was totaal nieuw voor ons. Ik was een jaar of 17 toen bebop begon door te dringen, en onmiddellijk voelde ik dat er iets bijzonders aan de hand was. Ook de literatuur die ermee samenhangt: Dharma Bums en On The Road van Kerouac. Prachtig. Die boeken hebben alles met vitaliteit te maken, met die rush van één keer leven, het gevoel van nù te leven, levensdrift. Dat had natuurlijk allemaal met de oorlog te maken. Zo’n gevoel van een oorlog is iets heel fysieks, hé, da’s logisch want het gaat over het leven. Daarom ben ik misschien nog altijd een vitalist, ik ben voor het directe leven, helemaal niet rationeel ingesteld. De vitaliteit van die muziek trok mij onweerstaanbaar aan. Charlie Parker, Lester Young, de bebop-scene van Chicago en San Francisco van tijdens en net vóór de oorlog kortom.
– En met de namen die je noemt, lag het ook een beetje voor de hand dat je saxofoon ging spelen…

Wannes: Altsax, ja. Maar dat was gewoon op amateuristische basis, hoor. Ik speelde toen altsax, niet goed hoor, op de sax was ik een slecht muzikant. Je moet al een heel goeie instrumentist zijn om jazz te spelen, maar toch bespeelde ik dat instrument om dat nieuwe klimaat te kunnen exploreren. Zoals dat bij alles het geval is bij mij, werd ik getroffen door het marginale klimaat van dat soort jazz. Binnen die kring geniet je dan ook de grootste vrijheid: alles wordt er zonder het minste compromis weergegeven. Vorm en gevoel zijn één. En dat pàkt natuurlijk, hé, dat is echte Kunst. En na de bebop kwam dan de blues. Big Bill Broonzy heeft hier in Antwerpen nog een live-elpee opgenomen. Maar ik was toen in ’t leger, anders zou ik daar zeker bij geweest zijn. Verder hebben zowel flamenco als jazz en blues iets gemeen: zij getuigen van een grote authenticiteit. En op die manier gaat een mens ook vragen stellen over zijn eigen cultuur. Ik ben op zoek gegaan naar authenticiteit in de eigen taal, uitgaande van de nog bestaande resten van volksliederen.
– Nù lijkt dat inderdaad een zeer logische evolutie, maar in het begin van de jaren zestig was dat werkelijk een zeer grote stap, revolutionair bijna…

Wannes: Oh, maar ik was daar thuis nog mee opgegroeid, hoor, dus voor mij was dat vrij normaal. Mijn ouders zingen alle twee en mijn grootvader moet zelfs een tamelijk goede zanger geweest zijn, ook al kan ik mij niet herinneren dat ik hem ooit heb horen zingen. Mijn grootvader was een bekende zanger in de Seefhoek, die zong in het Multatulikoor, maar ook ’s avonds in cafés, uiteraard, de mensen die konden zingen moésten zingen. Ik ben van de Seefhoek, een arbeiderswijk, dus veel van die liederen gingen over de situatie van de werkman. Dat waren de echte socialisten, hé, de mannen van de Seefhoek. Mijn vader zong heel veel socialistische liederen, en liedjes van Karelke Waeri. En verder over de communards en de oorlog van ’14. Toen wij jazz begonnen te spelen aan de Stadswaag gebeurde het dat men zei: allez jong, zingt nog eens zo’n liedje, dan klom ik op een stoel en deed ik dat, helemaal in die oude stijl. Zelfs op de school was ik al geïnteresseerd door het ritme van die liederen, zoals De scharesliep, die men er aanleerde.
– Dat wil ik allemaal best geloven, maar rustte er in “verlichte kringen” geen odium op het zingen van die liederen?

Wannes: In Antwerpen zeker niet. Daar is men immers zeer zelfbewust wat de eigen taal, het Aantwaarps dus, aangaat. Daar bestaat zelfs nauwelijks een klasseverschil in. De werkman spreekt Aantwaarps, maar de bankdirecteur óók. Een Antwerpenaar praat als een Spanjaard of een Italiaan, met veel gebaren, veel blabla ook, gewoon omdat een Antwerpenaar zichzelf graag bezighoort. Die zuiderse aard is trouwens nogal logisch, nietwaar, door die kosmopolitische oorsprong van Antwerpen. Al staat ik er anderzijds vaak versteld van hoe provinciaal men er ook kan zijn.
Maar over de provincie gesproken, buiten Antwerpen werd dat zingen in de volkstaal inderdaad vaak op onbegrip onthaald. Men wilde trouwens niet zozeer dat ik in het algemeen Nederlands zou zingen, maar wel in het Engels! Ik herinner me nog een optreden in de Kempen, waar men mij, hoegenaamd niet kwaad bedoeld, kwam vragen of dat niet eerder iets voor oude mensen was. Omdat ze zich die liederen herinnerden uit hun grootvaders tijd natuurlijk. Maar daar staan we niet alleen mee, hoor. In Engeland heeft Martin Carthy hetzelfde meegemaakt. Middenin die zogenaamde folkrage van Bob Dylan en Donovan en zo, ging die in de mijnstreek mijnwerkersliederen zingen en dan kwamen ze hem zeggen: “That’s not a folksong, my grandfather used to sing that!”

– Misschien is het omdat ik inderdaad “uit de provincie” kom, maar ik herken daarin wel een beetje mijn houding van destijds moet ik toegeven. Anderzijds was ik toen nog wel erg jong, het is pas in mijn studententijd dat ik me een eerste Wannes-elpee heb aangeschaft en die heette dan al meteen “M’n beste”, een soort “greatest hits” als het ware…

Wannes: Ja, want dat was al mijn vierde elpee en die bevatte dan inderdaad een soort bloemlezing van wat voorafging. Een eerste elpee heette gewoon “Wannes van de Velde” en daarop stonden slechts twee eigen liederen, de rest waren echte volksliederen. Die eigen teksten gingen over de urbanisatie, want daardoor was ik eigenlijk beginnen zingen: uit woede omdat het laatste restje stadskern uit de renaissance (want het middeleeuwse stadsdeel was in vorige eeuw al verdwenen) werd afgebroken. Daarna is er nog een tweede elpee gekomen met wat meer eigen werk, maar de derde stond weer bijna uitsluitend vol met echte volksliederen. Etnisch bijna. “Wat zang, wat klank” heette die, naar een kerstlied dat erop stond.
– Dat is ook de periode dat je tegen wil en dank een beetje werd gerecupereerd door de Vlaamse Beweging. Later heb je je daar fel tegenaf gezet: “Als ik ze in’t gelid de straat zie opmarsjeren, spreek dan maar Frans en zwijg me van de Vlaamse kwestie.”

Wannes: Uiteraard. De oorlog was nog maar pas voorbij en daar stonden ze al opnieuw. Dat pik je niet als denkend mens natuurlijk, maar ja, wat kon je ertegen doen? En die gevoelens kun je dan eens luchten in zo’n lied. Ik heb natuurlijk alle begrip voor de Vlaamse Beweging, maar soms vraag ik me wel eens af: is niet wat je zegt belangrijk en niet in welke taal het gebeurt? Maar het is waar dat ze hebben geprobeerd me voor hun wagen te spannen, o.m. met het lied over Pieter Bruegel de Oude. Daar horen ze dan wel alleen maar de zinsnede in over die cafébaas die geen Nederlands kan en dat “dans le coeur du Brabant”, terwijl dat eigenlijk maar een anekdote is. Wat ze echter niet horen, dat is de slotzin, namelijk dat de Vlaming in het gevang van zijn eigen complexen zit.
Want waar staan we nù? Nu is het allemaal Engels. Flanders. Wat is dat voor flauwe kul? Luister, ik ben geen flamingant, of toch niet dàt soort flamingant, dus van mij mag het, maar is dat nu niet verschrikkelijk hypocriet? Flanders’ technology! Dan vind ik Chambres d’ami heel wat sympathieker! (gezonde lachbui) Omdat dit met een knipoog gebeurt. Maar gans dat Flanders-gedoe dat neemt zichzelf zo vreselijk au sérieux. Terwijl de Vlaamse cultuur daar niks mee te maken heeft natuurlijk. En dat in tegenstelling tot de Franse. Hoeveel rasechte Vlamingen zijn er bijvoorbeeld niet die toch in het Frans schreven? Maurice Maeterlinck, Michel de Ghelderode, Jean Ray, Charles De Coster. Is dat nu zo belangrijk dat die in een Latijnse taal schreven? James Joyce, Oscar Wilde, Sean O’Casey, die zijn toch zo Irish als de pest? En toch schreven ze in het Engels! Dat is toch hetzelfde? Wat anderzijds natuurlijk niet belet dat ik erg blij ben dat wij door een soort van historisch toeval onze eigen taal hebben kunnen behouden, want ik denk wel dat andere groepen, die in ons geval zouden verkeren, Franstalig zouden zijn geworden.
– 1967 was natuurlijk ook hét flower power-jaar bij uitstek. Het was dat jaar dat Humo ter ondersteuning van het Bilzen-festival met een naar rozen geurende kaft uitpakte (en dat er brieven binnenkwamen van lezers die beweerden ze te hebben opgegeten en er visioenen van gekregen te hebben). Maar hoe crazy het er in die tijd allemaal wel aan toe ging, moge blijken uit de programmatie van Bilzen dat jaar, waarop naast Procol Harum, Boudewijn De Groot, Armand en Ferre Grignard ook Wannes van de Velde voorkwam. Een paar jaar later zal je in een lied nochtans stellen: “Er zijn geen Beatles en geen Stones en ook geen plaatjes van Tom Jones op mijn mansarde.” Gooide je The Beatles dan op één hoop met Tom Jones en zijn “Delilah”?

Wannes van de Velde: Ik heb toen Beatles en Stones gebruikt als symbolen voor een cultuur die zo maar wordt aangenomen. Het is bijna een metafoor, snapt ge? Want de Beatles is een toffe groep natuurlijk. Maar het was een heilig huisje en juist daarom heb ik het gebruikt. Wat niet belet dat ik Sgt.Pepper een mooie plaat vind. Uiteraard.
– Na “M’n beste” komen we aan een eerste groot hoogtepunt: “Laat de mensen dansen”. Voor mij een van de grootste symbiosen tussen muziek en literatuur. Ik denk aan teksten als “Ontmoeting met een mens”, “Het einde van de baan”, “Het café zonder naam” en “Bordeel zonder vrouwen”. Ik vond die liederen bijna magisch-realistisch. Ook plastisch. Ze roepen iets op van de schilderijen van Delvaux bijvoorbeeld.

HET CAFE ZONDER NAAM
‘k wil vertellen een historie van een kroeg onelegant
in een stad stil en verboren in een regenachtig land
tussen lege magazijnen met een reuk van verzuurde wijnen
tussen muren van beton achter vensters zonder zon
’t zijn altijd dezelfde gasten die d’r zaten al jaren lang
die er zopen er er brasten samen gingen hunne gang
die op lang vergeten gronden nog een kroeg hadden gevonden
klein en ver van elegant in een regenachtig land
zij versleten er hun dagen ze verdoofden hunne tijd
genen ene stelde vragen genen ene voelde spijt
en zij gingen mediteren over sterven of kreveren
dat caféke zonder naam was het eind van hun bestaan
maar een zeeman oud van jaren kwam eens binnen met de wind
om wat moed te gaan vergaren bij een borrel en een pint
en hij las er de gedachten de verveling van lege nachten
in het uitgestorven oog van de mensen aan den toog
schei toch uit met u te plagen ga toch mee met heel de ploeg
onder zeil een van deez’ dagen op mijn schip is plaats genoeg
en het is ervan gekomen dat hij ze allemaal heeft meegenomen
het caféke zonder naam is verlaten blijven staan
‘k zijn de weg al lang vergeten naar dat regenachtig land
naar die stad stil en verlaten en die kroeg onelegant
‘k gezocht tussen magazijnen met een reuk van verzuurde wijnen
maar ’t caféke zonder naam schijnt voorgoed te zijn vergaan
parallellen: “De trein der traagheid” (Johan Daisne)
“Le Grand Meaulnes” (Alain-Fournier)
“King Pest” (Edgar Allan Poe)

HET BORDEEL ZONDER VROUWEN
‘k was eens aan de wandel in het schipperskwartier
om die kant op ’t gemakske t’ aanschouwen
en juist achter den hoek van een straatje zonder eind
was de deur van het bordeel zonder vrouwen
’t stond er op de ruit in wel een taal of zes
opdat iedereen het goed zou onthouden
verliest hier genen tijd want het leven is hier dood
’t is hier koud in het bordeel zonder vrouwen
‘k kreeg in mijn gedacht om daar naar binnen te gaan
om die deur maar eens open te duwen
en zo het interieur van die zaak eens te bezien
’t interieur van het bordeel zonder vrouwen
‘k zag d’r lege spiegels en een kanten gordijn
en een plaatseren draak zonder klauwen
een uitgedoofde stoof en een kruiske op de schouw
op de schouw van het bordeel zonder vrouwen
‘k zag een vaas met bloemen op een tafeltje staan
blauwe en roze en zilveren en goude
ze waren van plastiek van synthetisch materiaal
even dood als het bordeel zonder vrouwen
‘k zijn d’r dan maar stillekes vandoor gegaan
om aan andere gedachten te bouwen
‘k ging lopen uit die steeg in het schipperskwartier
uit de buurt van het bordeel zonder vrouwen
gaat ge nog eens wandelen in ’t schipperskwartier
zij gerust ’t is er goed te vertrouwen
maar blijft ge liefst van droeve atmosferen gespaard
blijft dan weg van het bordeel zonder vrouwen (x2)
parallellen: “Divina Commedia” (Dante Alighieri)

HET EINDE VAN DE BAAN
op een keer was ik gereden tot aan het einde van de baan
‘k zag een stad die ik van mijn leven op geen kaarten had zien staan
‘k zag een vlag van lastenbrieven op het dak van de baron
op de kerk stond een kieken bruin te bakken in de zon
op de markt stond een fonteintje ’t spoot geen water maar azijn
op de nagemaakte bomen van dit godvergeten plein
al de straten lagen open het gewoon verkeer lag lam
en in het slijk van de riolen reed de muzikalen tram
op dien tram moest ik betalen voor een spoeling van mijn brein
voor seniele kommentaren en publicitaire schijn
in de kroeg mocht ik niet zingen de politie had mij in ’t oog
‘k mocht de zatlappen niet storen die daar zopen aan den toog
in die kroeg moest ik betalen voor scheikundig gerstenbier
voor een juke-box-initiatie van geprogrammeerd plezier
‘k zag bordelen zonder vrouwen en cafékes zonder naam
tussen officieel gebouwen met een oog voor elk raam
tussen officieel gebouwen met een oog voor elk raam
om on in de gaten t’ houden overal waardat we gaan
‘k had genoeg van ’t voyageren heel mijn reis was naar de maan
‘k ging agauw terug naar de statie ‘k kreeg d’r enkle reis vandaan
‘k ging agauw terug naar de statie ‘k kreeg d’r enkle reis vandaan
naar een berg in de wolken waardat zo geen steden staan (x2)
parallellen: “Terugkeer naar Atlantis” (Hubert Lampo)

ONTMOETING MET EEN MENS
‘k wil hier zingen van degeen die me in droefheid heeft gebracht
die alleen maar efkes langs kwam die mijn huis heeft uitgezoomt en heeft gevonden
vraagt me niet hoe dat ’n heette vraagt me niet wat dat ‘m deed
z’n gezicht zijn ik vergeten en de woorden die hij zei zijn uitgeklonken
was ‘m jong of oud van jaren was ‘m licht of was ‘m zwaar
was z’n klederdracht versleten alledaags of nogal raar
‘k zijn het vergeten
‘k heb ‘m niet veel meer gegeven dan wat water en wat brood
en met weinig goei manieren met een groet ternauwernood
is ‘m verdwenen
mocht het zijn dat ‘m nog zwerft tussen d’ huizen vreemd en koud
als ‘m terugkomt langs mijn erf ‘k mag zijn van jaren oud
dan zal ik weten
da’s die mens van lang geleden ‘ik heb er dikwijls aan gedacht
die alleen maar efkes langskwam die wat stilte heeft gezocht
en ze heeft gevonden.
parallellen: “The ancient mariner” (Samuel Taylor Coleridge)


Wannes: God, dat is lang geleden! Maar je hebt gelijk, ik zou die liederen misschien opnieuw moeten zingen, in een nieuwe bewerking. En wat dat magisch-realisme betreft: het heeft er iets mee te maken, jawel. Ik vertrek van eigen ervaringen hier aan de havenkant, maar dan gaat dat verder en het wordt ook niet uitgelegd. Vandaar dat de mensen zich afvragen: wat bedoelt hij nu eigenlijk? Dat is trouwens ook de tijd dat ik die Griekse cafés frequenteerde waar de rembetiko werd gedanst, wat zich pas op mijn volgende elpees muzikaal heeft vertaald in nummers als “Makrobioties” en “Als ik zou sterven”.
– We zitten dan in een periode dat de hoogtepunten elkaar in snel tempo opvolgen, al wordt bij het volgende je naam niet onmiddellijk ermee in verband gebracht. Toch vind ik je aandeel in “Mistero buffo” van de Internationale Nieuwe Scène erg belangrijk.

Wannes: Dat was inderdaad een geweldig avontuur. Zo heb ik echt het theater leren kennen. Theater is doen. Die tekst is niet goed, maak eens vlug een nieuwe. En dan op de rand van het tafeltje in ’t restaurant, hé. Maar dat ging allemaal.
– Echter niet zonder roofbouw te plegen op jezelf.

Wannes: Ik ben daar zes jaar ziek van geweest, ja, maar dan wel door mijn eigen schuld.
– Zes jaar? En toch valt er in die periode alweer een schitterende elpee te noteren: “Een zanger is een groep”…

Wannes: Ja, maar het was natuurlijk niet zo dat ik al die tijd in de kliniek lag of zo. Ik was gewoon uitgeput, al mijn reserves waren opgebruikt. Dan spreekt men ook al eens van een depressie, versta je. Ik ben bijvoorbeerd geopereerd geweest en heb dan niet lang genoeg gerust, wat natuurlijk gevolgen met zich meebracht.
– De titel van die elpee is een soort van axioma geworden. Wellicht vindt die zijn oorsprong nog bij het werken met de Nieuwe Scène?

Wannes: Ja, maar toch ook wel gewoon voortgaande op de traditie. Vandaag mag die dan nog voor een groot deel doorbroken zijn door de commercie, die liever een bepaald idool naar voren schuift, maar in de grond is het natuurlijk nog altijd zo dat je alleen niets kan. Alleen sta je nergens. Bij ons is dat zeker steeds het geval geweest. De groep hangt zeer goed aan elkaar en ideeën ontstaan uit het werken met elkaar.
– Je had rond die tijd zowaar ook een single-succes met “Ik wil deze nacht in de straten verdwalen”…

Wannes: Ja, maar dan toch enkel op de radio, want als er daar tweeduizend van geperst zijn, zal het veel zijn. Ik ben nu eenmaal geen commerciële zanger en dus is men begrijpelijkerwijze een beetje voorzichtig bij de productie. Ook dit was een tekst op bestelling, deze keer van Benoit Lamy voor zijn film “Home sweet home”. Schitterende film trouwens. Maar op drie dagen hebben wij dat gemaakt. Zo ging dat. Ik heb daarvoor enkel die scène gezien in die kleine Brusselse kroeg waarvoor de muziek moest dienen, waarbij die vrouw wegdroomt naar een imaginair paradijs aan de hand van de palmbomen die op de jukebox staan afgebeeld. “De klank van de stad maakt mijn ziel amoureus.”

IN DE NATUUR WOU IK GAAN LEVEN
– Dat wegdromen uit de stad, naar de natuur toe, dat komt goed tot uiting op de volgende elpee “In de natuur wou ik gaan leven” (Philips 6320 047) en op dat gebied hebben Antwerpen (met de havenuitbreiding) en het Waasland heel veel met elkaar te maken. Dat moge blijken uit de tekst van « Laat ons gerust » (uit de genoemde elpee) die we hieronder afdrukken. Jammer genoeg kwam dit lied niet voor in de uitzending op zaterdag 23 december 1978 waarin men op de BRT-televisie Wannes van de Velde vierde omdat hij 20 jaar op de planken stond. Wel o.a. de titelsong, « Ik wil deze nacht in de straten verdwalen » en het ongelooflijk mooie « Kerstmis is de dag dat ze niet schieten ». Gasten waren Rum, al even prachtig als Wannes zelf…

De wereld gonst
van leven en lawijt
en d’industrie
is helemaal los geslagen
onder de vlag
van welvaart en profijt
wordt gene mens
niet meer gerust gelaten
Refr.: den tijd vervliegt
ons leven gaat voorbij
zingt dus met mij
tot lering van ons’ bazen:
laat ons gerust met jullie plannen
dynamisme maakt zo moe
en jullie diep verwenste oorlog
komt gewoonlijk veel te vroeg
De staat zijn wij
zo wordt er ons verteld
niemand nog buigt
voor prinsen en prelaten
al zijn we vrij
toch kiezen we voor ’t geld
een slechte keus
want zo blijven we slaven
Refrein
Geen dorp of stad
of d’r wordt in geknoeid
voor het verkeer
moet al het leven wijken
er is geen bos
of ’t is bij-kan gerooid
of volgebouwd
met villa’s voor de rijken
Refrein
Heel ’t land van waas
beroemd voor ’t groenste gras
wordt overspoeld
met dokken en kanalen
en waar dat ’t vroeger
kalm en vredig was
daar dreigt vandaag
een nieuw’ atoomcentrale
Refrein
Ik schei er uit
met kopen op krediet
ik heb genoeg
’t is uit met overuren
en fantasie
die krijgde toch voorniet
‘k laat door ‘ne check
mijn leven niet besturen
Refrein
Gij die van ouds
ons’ maatschappij regeert
‘k wens u geluk
g’hebt uwe zin gekregen
want g’hebt kordaat
gelijk nen hovenier
bloemen gekweekt
en ’t onkruid weggesneden
Refrein
Maar ieder bloem
heeft toch een ander’ kleur
om van de kracht,
van ’t onkruid maar te zwijgen
laat ons gerust… enz.
1978 – N.V. Intersong Primavera

Twintig jaar reeds dus timmert Wannes aan de weg en de enige spijtige bijgedachte is dat hij er nog steeds broodnodig is. Rum b.v. evenaart hem misschien wel in kwaliteit, maar het sociaal engagement dat voor volksmuzikanten o.i. onmisbaar is, is hen bijna totaal vreemd.
Verder stellen we opgelucht vast dat Wannes nog steeds vooruit gaat. Hij en zijn groep (want zijn vorige elpee heette zeer terecht « Een zanger is een groep »; de muzikanten van Wannes zijn hem immers evenwaardig) hebben met « In de natuur wou ik gaan leven » een elpee uitgebracht, waaraan iedereen die aandachtig wil luisteren zijn hart kan ophalen.
Eén schoonheidsvlekje misschien : als Antwerpenaar heeft Wannes zich te zeer vastgebeten in het bombast rond het Rubensjaar (drie van de twaalf nummers) en enkelen zullen het hem wellicht ten kwade duiden dat dit ten koste van liedjes als « Pinochet op de eerste rij » en « De Flamingant ne me traîtez » die er niet opstaan is gegaan.
Tot slot even speciale aandacht voor Wannes’ teksten, die zoals steeds hout snijden, b.v. in « De Porno » :
Maar de cinema-frustratie
waar da’k u heb van verteld
is onschuldig, vergeleken
met het militair geweld
en d’r weten zoveel mensen
met hun eigen geen blijf
laat de porno dus maar draaien
in het slap en in het stijf.

WATER EN WIJN
– Toch heeft het ook wel iets dubbelzinnigs, want als je goed naar de titelsong luistert, dan merk je al meteen dat het in die natuur ook niet pluis is.

Wannes: Uiteraard. Ik zou op het land niet kunnen leven. Gewoon als luxe, ja. Twee maand. Da’s al lang. Niet dat ik dat niet kan appreciëren, hé. Een heel andere omgeving, die stilte… Zo kan je nieuwe ideeën opdoen, tekenen, schrijven. Maar toch is het ook een beetje een utopie. Ik denk niet dat je automatisch daar een betere tekst schrijft dan hier in de stad. Enfin, ik weet het niet, want ik heb het nooit echt geprobeerd. Ik heb wel ooit eeens drie weken moederziel alleen in zo’n knechtenwoning in Merendree tegen Aalter geleefd. Vrienden hadden mij daar naartoe gestuurd omdat ik een beetje met persoonlijke problemen worstelde.
En dan zat ik daar, hé. Op de duur begin je hardop tegen jezelf te praten en in de spiegel te kijken opdat je eens iemand zou zien. Compleet maf! Af en toe kwam er een paard zo eens kijken. Kopke scheef, zo van “wat komt die hier doen”. Net zoals de boeren uit de omgeving. Maar verder, zo de avond zien vallen. Dat is een belevenis voor een stadsmens natuurlijk. ’t Mag alleen niet te lang duren.

– Ik weet niet of wat je nu vertelt inderdaad samenvalt met de periode die chronologisch nu aan de beurt is, feit is dat het een tijdje stil wordt. De elpee “Volksliederen” bijvoorbeeld gaat vrij onopgemerkt voorbij.

Wannes: Het was bewust een stap terug, inderdaad. Ik wilde mezelf een beetje bescheidener, een beetje minder scherp opstellen. Dus geen eigen liederen meer. Ik had dat toen nodig om nog eens opnieuw onder te duiken in de traditie. Mensen die echt van dat soort muziek houden, vonden dat wel zeer goed, maar het was misschien een beetje een elpee voor insiders, toegegeven. Maar soms is dat wel eens nodig. Gewoon een paar liederen goed proberen te zingen. Op de stem letten, de juiste toon…
– Die liederen laten je inderdaad niet los. Nu breng je dat repertoire bijvoorbeeld met de zanggroep Water en Wijn…

Wannes: Ja, ik vind dat die traditie nog altijd te weinig wordt geapprecieerd. De mensen zingen te weinig. Ik tracht nog altijd vocale en muzikale mogelijkheden te ontdekken, want het is juist dàt wat aan het verloren gaan is. De teksten niet en zelfs de melodietjes werden in de negentiende eeuw toch nog opgetekend. Maar de manier van zingen is verloren. En dààr moet je aan werken langs de traditie om, om die dan opnieuw te kunnen gebruiken in je eigen composities.
– En zo zijn we dan bij “Tussen de lichten” aangeland…

Wannes: Nee, er was eerst nog “Stadsgedachten” met bijvoorbeeld “Als ik zou sterven”.
– Kijk, daarmee wordt eigenlijk het bewijs geleverd dat je met “Tussen de lichten” uit een stille periode terugkomt, nietwaar?

Wannes: Dat heeft onder meer te maken gehad met het feit dat wij door louter praktische omstandigheden onze accordeonist hebben verloren. Hij werkte zoveel bij diverse theaters dat we steeds op zoek moesten gaan naar alternatieven. Maar eigenlijk gaat dat niet, hé. Je moet een echte, compacte vorm hebben. Een buik waarin je je thuisvoelt. Ik vind dat nog altijd erg pijnlijk.
Dat is ook de periode waarin ik door de staat met mijn rug tegen de muur werd gezet. Ik ga niet in detail treden, maar het was een zuiver geval van intimidatie. Zo in de aard van: mag ik nu na twintig jaar ineens niet meer optreden? Gedurende een jaar heb ik me laten gaan, inderdaad. Ik trad niet meer op, ik had er gewoon de moed niet meer toe, of liever gezegd: de motivatie ontbrak. Tot een paar vrienden me zeiden: ge zijt zot! ’t Is juist dààr dat ze u willen hebben! Want ik zeurde daar natuurlijk heel de tijd over, ik begon over te lopen van zelfbeklag en dat is uiteraard heel erg. En toen ik dat heb ingezien, dan ben ik er ineens ingevlogen op zeven fronten tegelijk.

Enfin, de conclusie is natuurlijk wel duidelijk: een kunstenaar heeft dringend nood aan een statuut. Binnen het Masereelfonds wordt daarover nu geregeld vergaderd. Ik doe daaraan mee, ook al heb ik me dus uiteindelijk uit de slag kunnen trekken, maar ik kan me daar nog altijd over opwinden. Want tenslotte is een kunstenaar met weinig content. Als hij zijn ambacht maar kan uitoefenen. En op dit moment is e veel te veel plaats voor willekeur. Als er enkele ambtenaren zijn die iemand niet kunnen luchten, dan kunnen ze die kraken. Die mensen, plastische kunstenaars, schrijvers, die hebben geen enkel recht. In ons systeem is gewoon geen plaats voor hen. Ik heb het klappen van de zweep geleerd, ik ben getemd. Maar ’t is verdorie een lange weg, weet je. Let op, ze kunnen mij nog altijd een kopje kleiner maken, hé. Maar het boezemt me geen angst meer in. ’t Is de moeite niet.
– Hoe dan ook, met “Tussen de lichten” sta je er weer helemaal. Opnieuw met heel sterke eigen teksten en met muzikale invloeden die merkwaardig genoeg teruggaan op je vroegste ervaringen, zoals uit dit gesprek reeds is gebleken.

Wannes: Wacht, dat is moeilijk om uit te leggen, hoor. Ik heb daarnet uitgelegd hoe je inje eigen taal kan zingen op een manier die je leert uit de volksliederen. Maar als je dat medium eenmaal onder de knie hebt – en dan bedoel ik dat minder als vorm, dan wel als mentaliteit – dàn kun je zeggen: nu stop ik, nu ben ik er, laat nu de invloeden maar komen. Dan gaan die zich vanzelf in dat medium nestelen, dan zijn die al geassimileerd. Als je anders zou zeggen: “Mannen, nu gaan we iets maken in de stijl van Django Reinhardt”, vergeet het dan maar. Dat moet vanzelf komen.
– Bovendien, volksmuziek heeft inderdaad iets authentieks, maar tegelijkertijd is ze wereldomvattend bijna?

Wannes: Natuurlijk! Volksmuziek doorbréékt nationaliteiten. Zelfs als je het hebt over de echte, levende Vlaamse volksmuziek, de gebruiksmuziek, pak nu maar bijvoorbeeld de dansmuziek uit de zeventiende eeuw, zoals je die nu nog vindt in de Balkan en Bulgarije, waar muzikanten met hun schalmeien de boerenbruiloften opvrolijken. Dat heeft bij ons dus ook bestaan. En let op, dat waren geen boeren, dat waren rondtrekkende beroepsmuzikanten, hé! Wel, de klank van die muziek, zowel qua melodie als qua dynamiek, die vind je van hier tot in Navarra! Ik kan je opnamen laten horen uit Aragon (Noord-Spanje), waarvan ik je zou kunnen wijsmaken dat het een oude opname van ’t Kliekske betreft.

Referenties:
Ronny De Schepper, Wannes van de Velde: “De mensen zingen te weinig”, De Rode Vaan nr.18 van 1987


Origineel blogartikel:
https://ronnydeschepper.com/2018/11/09/wannes-de-mensen-zingen-te-weinig/